Kleurengenetica

Genetica achter de kleur van een Cocker Spaniel

De Engelse Cocker Spaniel is een ras met veel kleuren en mogelijkheden. Toch is er de rasstandaard die het een beetje in de hand weet te houden met de regel: “Various. In self colours no white allowed except on chest.” In een ander artikel over de kleuren vindt u de diverse mogelijkheden. In het kort komt het neer op:
eenkleuren (zoals zwart, rood, bruin, al dan niet met tan aftekening)
meerkleuren (wit als basis en hetzij zwart, oranje, bruin of lemon in vlekken of platen erbij, met of zonder schimmel of ticking, al dan niet met tan aftekening)

Dit artikel gaat over genetica: welke genen zijn verantwoordelijk voor bepaalde kleuren en combinaties. In hoofdzaak bepalen zij twee dingen: de vachtkleur (zwart, rood, bruin/lever )en het patroon van de vacht (eenkleur of meerkleur). De meerkleur is nog verder onder te verdelen in schimmel, ticking en bont, in volgorde van dominantie.

Al deze factoren zijn toe te schrijven aan een serie erkende kleuren (loci, dat wil zeggen, de locaties op de chromosomen) bij honden. De algemeen erkende kleur-serie zijn
A (agoeti, van zwart naar wildkleur (sable bij de Cocker) tot tan aftekening),
B (van zwart tot bruin),
C (van volledige kleur tot geen kleur),
D (blauwe verdunning, van vol pigment tot verdund pigment)
E (extensie die verantwoordelijk is voor de rode kleur in de Engelse Cockers),
G (grijs),
K (zwart, brindle en geel)
M (merle),
R (schimmel),
S (van eenkleur zonder wit tot bont) en
T (ticking, kleine vlekjes in een witte vacht)

In de meeste gevallen zullen meerdere loci samenwerken zodat meerdere verschillende genen in combinatie worden gebruikt om een kleur te produceren. Een gen kan zelfs de aanwezigheid van een ander gen maskeren.

In de genetica is er het Fenotype, of hoe de hond er fysiek uitziet en het Genotype, de genetische samenstelling van de hond, die wel of niet volledig tot uitdrukking komt in het fenotype. Daarnaast zijn er genen die meer dominant zijn dan anderen en worden Dominant genoemd (in grafieken weergegeven met een hoofdletter) en anderen die niet zo sterk in expressie tot uitdrukking komen, die worden Recessief genoemd (in grafieken weergegeven met een kleine letter). Elke hond ontvangt één set met genen van elke ouder. Het is de combinatie van deze vele genen die verantwoordelijk is voor niet alleen vachtkleur maar oorlengte, kleur en vorm van de ogen de bouw van de hond en heel vaak zijn gezondheid.

Kleurgenetica
Veel van onze afspraken over kleur genetica komen uit een boek door Clarence C. Little, De erfenis van vacht kleur bij honden. Tot op heden is men nog steeds bezig met onderzoek naar de relatie tussen dominante kleuren, nieuwe allelen, gen-series, wijzigen van factoren, enz. Bovendien, kan de vachtkleur ook worden beïnvloed door omstandigheden in de baarmoeder. Er is nog geen definitief begrip van de vachtkleur.

Zwart en lever of bruin. Voor de Engelse Cockers is deze loci B, de bruin-serie. Hiermee wordt zwart pigment gevormd. De genen voor zwart (B) en lever (b) zijn hetzelfde gen waarbij zwart (B) dominant is. Een BB hond is uiterlijk zwart. EenBb hond is ook uiterlijk zwart omdat de B domineert over de b. Een bb hond produceert bruin pigment. Dit beïnvloedt niet alleen de vachtkleur, maar ook de kleur van de huid, ogenranden en neus.

Rood. Het gen voor rood is niet hetzelfde als het gen voor zwart en lever. De loci is E, de extensie serie. Deze serie bevatEd (dominant zwart), E (normale extensie) en e (recessief rood.) Een rode vachtkleur wordt geproduceerd door het hebben van twee (ee) recessief rode genen. De huid en oogkleur kleur zijn in het algemeen normaal maar sommige honden die ee zijn hebben een minder gepigmenteerde neus. Het lijkt er ook op dat ze sneller beïnvloedt wordt door een gen-parameter die pigment vermindert. Effen rode cockers hebben 30% meer kans op behoud van wit op hun gezicht dan zwart of lever pups hebben.

Als de hond drager is van E, het dominante gen voor “geen rood”, zal de hond zwart zijn (tenzij hij ook drager is van twee recessieve genen voor lever, in dat geval de hond leverkleurig zijn.

Rood/oranje in meerkleuren. De zelfde loci (ee), dus recessief rood, bij een meerkleurige Cocker een lichtere kleur weergeven. Vandaar de naam oranje. Hoewel de loci het zelfde is (B, ee) zullen ze worden geregistreerd als oranje. Af en toe zal is het rood donkerder, zoals bij een Ierse Setter of Welsh Springer Spaniel. In deze gevallen noemt men de meerkleur roodbont en roodschimmel.

Lemon en Goudkleurig. Lemon, is een licht oranje tot geel of zelfs lichtgele kleur. Lemon is een rood/oranje hond (ee), die ook de loci voor lever heeft (bb.) Dus een lemon Cocker moet twee recessieve genen hebben: enerzijds het gen die de rode kleur (ee) geeft en het gen welke verantwoordelijk is voor de leverkleur (bb.) De twee recessieve genen maken de kleur lichter zodat de vachtkleur lemon wordt. Er zijn andere genetische factoren zoals het “chincilla” gen en genetische parameters die samen met het lever-gen tot de gele markeringen komen. Een genetisch lemon eenkleurige Cocker zal als rood worden geregistreerd (deze heeft een lever neus) of als goudkleurig. Een lemon met elk ander vachtpatroon zal worden geregistreerd met “lemon” in de naam zoals lemonschimmel. Een belangrijk feit om te onthouden is dat deze kleurfactoren op dezelfde manier te werk gaan in zowel eenkleuren als meerkleuren. Vachtpatronen worden afzonderlijk bepaald.

Eénkleurigen

De eenkleurige vacht wordt bepaald door de loci S, de effen kleur. Dit is het normale gen in rassen zonder witte aftekeningen. Een SS hond kan volledig een gebrek aan wit hebben, maar een zeer kleine witte aftekening zoals een witte streep op de borst is mogelijk. S is dominant, dat betekent dat een eenkleur drager kan zijn van het gen voor meerkleur. Andersom kan niet, dus een meerkleur kan geen drager zijn van het gen voor eenkleur.

Een Cocker met twee genen voor eenkleur heeft altijd eenkleurige nakomelingen. Zelfs als hij een meerkleur dekt, dan nog zijn alle pups eenkleurig. Wel zijn deze pups allen drager van het meerkleur-gen. Mocht nu één van deze pups later gedekt worden door een meerkleur, dan bevat het nest zowel eenkleurige als meerkleurige Cockers. Ook in dit nest zullen de eenkleurige Cockers weer drager zijn van het meerkleur-gen.


Schimmelpatroon

De loci is R, roan, wat wij weer vertalen als ‘schimmel’. Hierbij ontstaat er in een lichte vacht meer donker haar. Hoe dit precies in zijn werk gaat is nog niet helemaal duidelijk. Het schimmelpatroon kan worden gedefinieerd als “de basiskleur (rood, zwart of bruin) wordt vermengd met witte haren.”
Schimmel (R) is dominant over rr (niet-schimmel, dus bont). Een geschimmelde Cocker kan drager zijn voor bont, maar een bonte Cocker kan geen drager zijn van het schimmel-gen.


TICKING PATROON

Bij bonte Cockers kan er in de witte gedeelten van de vacht ticking voorkomen. Ticking betekent dat er hele kleine gekleurde vlekjes in de vacht voorkomen, waar het anders wit zou zijn. De loci is T, ticking. T is dominant over t ) = gebrek aan ticking). De hoeveelheid en de locatie van ticking wordt sterk beïnvloed door genen die de grootte, vorm en dichtheid van de ticking bepalen. Bij ticking kunnen grote velden witte vacht voorkomen, bij schimmel kan dit niet.


BONT PATROON

Een bonte Cocker heeft geen ticking of schimmel. Tussen de vlekken, welke zwart, bruin of rood/oranje/lemon kunnen zijn, is het altijd wit. Komt er hier en daar toch ticking voor, dan is het geen echte bonte Cocker. Gebrek aan ticking (tt) is recessief ten opzichte van schimmel en ticking. Een schimmel Cocker kan drager zijn van bont, maar een bonte Cocker kan nooit drager zijn van schimmel.


TAN AFTEKENING

Elke vachtkleur kan een tan aftekening hebben. Deze aftekening bevindt zich op de voorsnuit, boven de ogen, op de borst, op de onderbenen en onder de staart. De tan loci is A (agoeti=wildkleur) met het allel at. Meerkleuren kunnen ook at zijn, maar het vachtpatroon blijft hetzelfde.

Tan is recessief. Een Cocker met tan aftekening moet van beide ouders het at hebben gekregen. Een Cocker met slechts éénat vertoont zelf geen tan aftekening, maar kan dit wel doorgeven aan zijn nageslacht in combinatie met een andere Cocker die ook één of tweemaal at heeft.

Een rode of oranje Cocker kan ook tan hebben. Als deze voortkomt uit ouders die beiden een tan aftekening hebben, zullen de kinderen twee genen voor tan hebben. In feite is het dan een rood met tan of een oranjeschimmel met tan. Fenotypisch is hier niets van te zien.

Een reactie plaatsen